27 Junij 1869
’t Is mij nog steeds als zoude ik mijne lieve moeder slechts voor een tijd missen, alsof zij spoedig terug zal komen. Hoe ongerijmd dit ook schijnt. — Als er op doordenk weet ik heel goed dit niet mogelijk is. En toch! Ik mis haar. — Had ik veel drukte gehad en kom ik mij eens comfortabel neerzetten zij was altijd bij mij. Alles had ze voor ons over. Overal zorgde zij voor.
’t Is de mensch gezet te sterven. ’t Is waarheid, maar ’t valt zo moeijelijk ’t voor te stellen als men eene zo geliefde betrekking zoo spoedig ziet afbreken en dan bestaat er nog hoop. Hoop op wederzien. ’t Goed en afleiding bestaat en dit is er in de laatste tijd overvloedig geweest zoo dat mij geen tijd overschoot. — De drukte met de stoombooten is toegenomen waarbij nog komt (dat) die soms een klein uurtje van ons kantoor verwijderd liggen, het onbestendige is nog hoofdzakelijk oorzaak we ’t kantoor aan ’t Haringvliet nog houden.
Gedurende de laatste 14 daag hebben de verkiezingen veel belangstelling ondervonden. Ook deze zijn afgeloopen. — De liberalen hebben een fiksche overwinning behaald hetgeen zij voonamelijk te danken hebben aan de houding der Jezuiten die openlijk optraden met de banier waarin de dood aan de Openbaare School geschreven stond. Velen zijn daar voor teruggedeinsd en hebben zich aan de liberale kant geschaard welke zich voor het behoud dier school dapper in de bres gesteld hebben.
Na een kort debat is het ontwerp der Spoor door Rotterdam in de Tweede Kamer aangenomen. — Hoe lang deze zaak al ingezien en nagezien en soms jaren achtereen overzien is geworden. Ik meen men er zoo wat zes jaar over doende is geweest. Onder Thorbecke opgemaakt is haar afdoening vaak nabij geweest, zoodat Rotterdam lang tusschen hoop en vrees heeft gedobberd.
En of Rotterdam er zich geluk mee mag wenschen? Dat zal de uitkomst nog moeten leeren. Zeker zal het in veel toestanden veranderingen en verbeteringen aanbrengen, maar om van een eindstation van S (=Staats-) Spoorwegen verheven te worden tot een halt aan de lijn, dat bevalt me minder. Doch we moeten onze tijd niet vooruit loopen; haar gadeslaan is destebeter. — Tot nog toe is Rotterdam de 1ste plaats van Nederland wat bedrijvigheid aangaat. Waar toch zal men haar drukte van stoom en scheepvaart op vaderlandsche bodem terugvinden. — Op één dag heb ik geteld in de haven 32 stoomboten welke lossende of ladende waren, komende of gaande naar buitenlandsche zeehavens. — De binnenlandse stoombooten zijn zoo talrijk dat er geen behoorlijke opgave van te maken is en (ik) schat hun getal op een paar honderd daags ten minste.
’t Gevolg ligt voor de hand. Waar de scheepvaart zoo enorm wordt komt er gebrek aan plaats, zoodat de overkant er aan moet en hare vrolijke groene dreven eerdaags zullen wijken voor eene breede rij pakhuizen. De Boomen zullen moeten plaats maken voor anderen, ontdaan van hun tak en gebladerd en omhangen met touwwerk en aan den top met een vlag versierd. —
Zal ook hier Verandering Verbetering zijn? De diepbeladen booten van ’t veer naar Fijenoord zullen ’s winters niet meer met balsturige ijsschotten te worstelen hebben, maar zullen zomers ook hun klandizie verliezen als men de brug met de hooggewelfde toogen over wandelt en men van zijn verheven standplaats zijn blikken kan laten weiden langs de vrolijke oevers der Maasstad. —
Hadden de Rotterd. afgevaardigden gepoogd de wet met amendementen te voorzien, de Minister wees op het Landsbelang, dat er zoude bestaan haar voornaamste zeehavens Nieuwediep en Vlissingen door eene aaneengesloten spoorlijn vereenigd te zien. Dit heeft ook hare bedoeling.
Zekeren heer Jansen*) heeft eenige tijd geleden een boekje uitgegeven getiteld Een brug over den Oceaan, waarin de uitnemendheid van Vlissingen als zeehaven wordt aangewezen en met het oog op ’t te voltooijen spoorwegnet als het meest geschikte punt wordt aangeduid voor eene directe communicatie met Amerika, mits de Regeering daartoe medewerkt. Minister Fock**) heeft laten blijken (dat) dit plan zijn sympathie heeft. — Komt de Nieuwe Waterweg spoedig en behoorlijk in orde dan vrees ik er niet voor. Valt dit echter tegen dan hebben we meer een changement de spectacle. — Dat ze er hier niet op stil zitten hebben we nog gehoord, daar er een plan is zoodra de Waterweg klaar is een stoomvaart in ’t leven te roepen op Amerika zonder subsidie.
*) M. H. Jansen, gepensioneerd kapitein ter zee met een belangrijke staat van dienst bij de marine. https://nha.courant.nu/issue/IJC/1954-07-14/edition/null/page/3
**) Cornelis Fock (1828 – 1910) was een vooraanstaand liberaal staatsman en bestuurder.
In 1868 was hij minister in een door Thorbecke geformeerd kabinet. Fock bracht belangrijke wetgeving tot stand (onder andere de IJkwet, de Begrafeniswet en de Veewet). https://nl.wikipedia.org/wiki/Cornelis_Fock
De Chroniek van Hendrik Houwens, een intellectuele negentiende-eeuwse Rotterdamse cargadoor.
Posts tonen met het label Fijenoord. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Fijenoord. Alle posts tonen
23 mei 2021
Afleiding
Labels:
Amerika,
Fijenoord,
Haringvliet,
Jansen,
Jezuiten,
liberalen,
Maasstad,
minister Fock,
nieuwe waterweg naar zee,
Nieuwediep,
openbaare school,
overkant,
spoor,
stoomboten,
Thorbecke,
verkiezingen,
Vlissingen
7 januari 2016
Kleine harrewarrereijen
December 6. — Zondagnamiddag. —
’t Weer is zeer onaangenaam, de regen plast langs de huizen. — Geen weer om uit te gaan en (ik) zal daarom mij eens neder zetten om mijn Chroniek weder te hervatten waartoe mij sedert de lust & gelegenheid ontbrak. — De Lust, om die gedurige kleine harrewarrereijen in de stad te boekstaven. De gelegenheid uit hoofde van de korte dagen waar we nu verzeild zijn, waarin het zonlicht zoo laat komt & zo spoedig heengaat.
Sedert een groote 14 daag hebben we een logé (domineesdochter uit Leens) tot gezelschap van Ko. — En schijnt het plan te zijn dat ze hier de winter zal doorbrengen. Of ze ook iets voor mij is. — Och neen. Nog zo vrij als een kapellaan. —
We hebben gister een aangename vrolijke dag gehad binnenshuis. —
Op de straat stond het mij niet aan: groote menschenmassa gingen zwijgend langs de straat en was er een merkbaar onderscheid tot vroeger jaren. — Men sprak weer van een in aantogt zijnd tumult, doch (ik) heb hiervan niets vernomen. ’t Paardevolk hebben we nog en nog wat infanterie. —
Zoo nu en dan hoort men wel van persoonlijke aanvallen op de policieagenten, doch sedert deze pistolen hebben gekregen kunnen ze zich beter verdedigen.
’t Is toch eene zonderlinge tijd waar we nu in zijn. Overal heerscht eene agitatie, die blijkbaar door eene zekere partij wordt gekoesterd & gekweekt. — Als men bij voorbeeld de debatten der 2e kamer nagaat: wat een gehaspel & geknoei van die zoogenaamde confessionelen die, vereenigd met de eigentlijke drijvers der Roomsche kerk, er op toegelegd hebben onze volksschool te vernietigen & het onderwijs in de handen der geestelijken willen spelen. Tot nog toe bestaat er gelukkig nog een flink ministerie en eene meerderheid van liberalen die hunne woelingen nog het hoofd kunnen bieden, maar voor hoe lang. — Doch ook hier is een hooger bestuur die alle dingen naar zijn wijs bestuur bepaald & regelt; zonder zijn wil geschied er niets en wie weet waarvoor tegenspoed nog dienstig is. — Ja, wie weet het. —
Gister toch werd het bekend dat de nieuwe waterweg naar zee mislukt is. Bij het openen van het gegraven kanaal heeft de zee het digt geworpen en zijn er naar het zich laat aanzien eenige millioenen nutteloos verbruikt. — Doch ook hier zal de tijd leeren waarom dit zoo heeft moeten zijn. — Voor mijne Vaderstad ziet het er niet gunstig uit. — Alle hoop was er op gevestigd: de aansluiting van den spoorweg, de bebouwing van Fijenoord, een directe communicatie voor zeer groote schepen. Al die illusies als met een tooverslag verdwenen. — Buiten dien het gemor der burgers over nietswaardige zaken door baatzuchtige drijvers met vergrootglazen bekeken, die zoo langzamerhand de geest van verdeeldheid en partijzucht tot in de families doet overslaan. — ’t Is hier weder waarheid: die de wind zaaijen zullen storm oogsten.
— Wat ons persoonlijk aangaat, we mogen van geluk spreken & zegen die ons ten deel is. — We zijn allen gezond & kunnen ons nog in een geregelde loop van werkzaamheid verheugen om daarin de onaangename stemming zoo veel mogelijk vergeten, want “die Arbeit macht das leben süss” en dat ondervinden we gelukkig nog. —
’t Is toch opmerkelijk hoe dezer dagen de roomschen ijverig aan ’t werk voor het (dat is voor hun) geloof zijn .. — Sedert de laatse drie jaar hebben ze verscheidene kerken hier gebouwd, waaronder de St Anthoniekerk, een prachtstuk, een kolossaal, mooi kerkhof, een gesticht voor ongeneeselijke kranken. Dat is een huis waar men wel in komt maar niet uit gaat, iets wat mij zeer verdacht voorkomt & en in welk vermoeden (ik), bij het zien der inrigting, niet weinig versterkt ben. Kloosterachtig, zou ik zeggen, is het gebouwd, met nare ongure vertrekken.
— Hier moet ik afbreken, mijn kaars is ten einde. — En bij gelegenheid de rest. —
’t Weer is zeer onaangenaam, de regen plast langs de huizen. — Geen weer om uit te gaan en (ik) zal daarom mij eens neder zetten om mijn Chroniek weder te hervatten waartoe mij sedert de lust & gelegenheid ontbrak. — De Lust, om die gedurige kleine harrewarrereijen in de stad te boekstaven. De gelegenheid uit hoofde van de korte dagen waar we nu verzeild zijn, waarin het zonlicht zoo laat komt & zo spoedig heengaat.
Sedert een groote 14 daag hebben we een logé (domineesdochter uit Leens) tot gezelschap van Ko. — En schijnt het plan te zijn dat ze hier de winter zal doorbrengen. Of ze ook iets voor mij is. — Och neen. Nog zo vrij als een kapellaan. —
We hebben gister een aangename vrolijke dag gehad binnenshuis. —
Op de straat stond het mij niet aan: groote menschenmassa gingen zwijgend langs de straat en was er een merkbaar onderscheid tot vroeger jaren. — Men sprak weer van een in aantogt zijnd tumult, doch (ik) heb hiervan niets vernomen. ’t Paardevolk hebben we nog en nog wat infanterie. —
Zoo nu en dan hoort men wel van persoonlijke aanvallen op de policieagenten, doch sedert deze pistolen hebben gekregen kunnen ze zich beter verdedigen.
’t Is toch eene zonderlinge tijd waar we nu in zijn. Overal heerscht eene agitatie, die blijkbaar door eene zekere partij wordt gekoesterd & gekweekt. — Als men bij voorbeeld de debatten der 2e kamer nagaat: wat een gehaspel & geknoei van die zoogenaamde confessionelen die, vereenigd met de eigentlijke drijvers der Roomsche kerk, er op toegelegd hebben onze volksschool te vernietigen & het onderwijs in de handen der geestelijken willen spelen. Tot nog toe bestaat er gelukkig nog een flink ministerie en eene meerderheid van liberalen die hunne woelingen nog het hoofd kunnen bieden, maar voor hoe lang. — Doch ook hier is een hooger bestuur die alle dingen naar zijn wijs bestuur bepaald & regelt; zonder zijn wil geschied er niets en wie weet waarvoor tegenspoed nog dienstig is. — Ja, wie weet het. —
Gister toch werd het bekend dat de nieuwe waterweg naar zee mislukt is. Bij het openen van het gegraven kanaal heeft de zee het digt geworpen en zijn er naar het zich laat aanzien eenige millioenen nutteloos verbruikt. — Doch ook hier zal de tijd leeren waarom dit zoo heeft moeten zijn. — Voor mijne Vaderstad ziet het er niet gunstig uit. — Alle hoop was er op gevestigd: de aansluiting van den spoorweg, de bebouwing van Fijenoord, een directe communicatie voor zeer groote schepen. Al die illusies als met een tooverslag verdwenen. — Buiten dien het gemor der burgers over nietswaardige zaken door baatzuchtige drijvers met vergrootglazen bekeken, die zoo langzamerhand de geest van verdeeldheid en partijzucht tot in de families doet overslaan. — ’t Is hier weder waarheid: die de wind zaaijen zullen storm oogsten.
— Wat ons persoonlijk aangaat, we mogen van geluk spreken & zegen die ons ten deel is. — We zijn allen gezond & kunnen ons nog in een geregelde loop van werkzaamheid verheugen om daarin de onaangename stemming zoo veel mogelijk vergeten, want “die Arbeit macht das leben süss” en dat ondervinden we gelukkig nog. —
’t Is toch opmerkelijk hoe dezer dagen de roomschen ijverig aan ’t werk voor het (dat is voor hun) geloof zijn .. — Sedert de laatse drie jaar hebben ze verscheidene kerken hier gebouwd, waaronder de St Anthoniekerk, een prachtstuk, een kolossaal, mooi kerkhof, een gesticht voor ongeneeselijke kranken. Dat is een huis waar men wel in komt maar niet uit gaat, iets wat mij zeer verdacht voorkomt & en in welk vermoeden (ik), bij het zien der inrigting, niet weinig versterkt ben. Kloosterachtig, zou ik zeggen, is het gebouwd, met nare ongure vertrekken.
— Hier moet ik afbreken, mijn kaars is ten einde. — En bij gelegenheid de rest. —
Labels:
Anthoniekerk,
cavalerie,
Fijenoord,
harrewarrereijen,
infanterie,
inrigting,
kapellaan,
Leens,
logé,
nieuwe waterweg naar zee,
openbaare school,
paardevolk,
pistolen,
policieagenten,
Roomschen,
spoorweg,
volksschool
Abonneren op:
Posts (Atom)